Je auto: basis en uitrusting

De zitplaatsen in je auto

Zitplaatsen

Een gordel moet correct gedragen worden, over de schouder en dus niet onder de arm.

De zitplaats van de bestuurder moet minstens 55 centimeter breed zijn. Voor passagiers volstaat een breedte van 40 centimeter.

Elke zitplaats moet uitgerust zijn met een veiligheidsgordel. Die moet je altijd correct dragenover de schouder en zeker niet onder de arm.


Wie moet geen veiligheidsgordel dragen?

Een persoon die achteruit rijdt.

Het dragen van de veiligheidsgordel is niet verplicht voor:

  1. bestuurders die achteruit rijden
  2. bestuurders van taxi’s tijdens het vervoeren van klanten
  3. bestuurders en eventueel passagiers van prioritaire voertuigen, wanneer hun taak dit vereist
  4. bestuurders die een vrijstelling hebben om medische redenen
  5. postbodes die na korte afstanden regelmatig moeten stoppen om brieven of pakketten te bezorgen
Zwangerschap is geen medische reden, ook dan moet je de veiligheidsgordel dragen. Let op: met ‘postbodes’ bedoelt men enkel de bezorgers van bPost. Voor andere koeriers geldt deze uitzondering niet.

Wanneer moet een aangepast kinderzitje gebruikt worden?

Een kinderbeveiligingssysteem is in bepaalde omstandigheden verplicht.

Als je kinderen vervoert die jonger zijn dan 18 jaar en kleiner dan 1,35 meter, moet je een geschikt kinderbeveiligingssysteem voorzien.

Wil je dit vooraan plaatsen, dan mag het niet naar achter gericht zijn. Dat mag alleen als je de airbag van de auto kunt uitschakelen.

In bepaalde omstandigheden is een kinderzitje niet verplicht.

Kinderen ouder dan 3 jaar maar kleiner dan 1,35 meter mogen in uitzonderlijke gevallen achteraan meerijden met enkel de veiligheidsgordel.

Dit is enkel toegelaten voor korte afstanden en wanneer het kind niet door de ouders zelf, maar door iemand anders wordt vervoerd.


Wat moet zeker in je auto aanwezig zijn?

Een verbanddoos of -etui

Een verbanddoos of -etui.

Een verbanddoos of verbandetui moet altijd in je auto aanwezig zijn.


Een brandblusser

Een brandblusser.

Een brandblusser moet altijd in je auto aanwezig zijn.


Een gevarendriehoek

Een gevarendriehoek.

Een gevarendriehoek moet altijd in je auto aanwezig zijn.


Een fluohesje

Een fluohesje of fluovestje draag je om zeker zichtbaar te zijn.

Een fluohesje moet altijd in je auto aanwezig zijn.

Eén exemplaar is in principe voldoende, maar het is beter dat je er voor elke passagier één hebt. Zorg dat het binnen handbereik ligt, want soms heb je het al nodig vanaf het moment dat je de auto verlaat.


Documenten

Documenten die je in je auto moet hebben.

Documenten die altijd in de auto aanwezig moeten zijn:

  1. De groene (of witte) kaart van je verzekering, die mag je ook digitaal tonen op je smartphone
  2. Het kentekenbewijs, ook inschrijvingsbewijs genoemd (deel 1, deel 2 bewaar je thuis)
  3. Het keuringsbewijs (indien van toepassing, bijvoorbeeld niet voor nieuwe auto’s)
  4. Het gelijkvormigheidsattest afgeleverd door de constructeur

Documenten die je als bestuurder altijd bij je moet hebben:

  1. Je rijbewijs
  2. Je identiteitskaart

Klaar om te oefenen?

Je hebt dit onderdeel afgerond. Test je kennis met 31 oefenvragen.

Oefenvragen starten