Bediening van je auto
De lichten
Dagrijlichten

Dagrijlichten zijn lampen die automatisch aangaan zodra je de motor start. Ze dienen om overdag beter zichtbaar te zijn voor andere weggebruikers, niet om zelf beter te zien.
Dimlichten

Dimlichten, ook wel de gewone lichten genoemd, gebruik je zodra het donker wordt of wanneer je minder dan 200 meter ver kan zien. Dat kan bijvoorbeeld door regen, mist, sneeuw of andere omstandigheden die je zicht belemmeren.
Ook wanneer je een tunnel inrijdt, zet je je dimlichten best aan.
Grootlichten

Grootlichten, ook wel faren genoemd, gebruik je op slecht verlichte wegen om verder vooruit te kunnen zien.
Je mag ze niet gebruiken als je anderen zou kunnen verblinden. Dat is bijvoorbeeld het geval bij tegenliggers, wanneer je op minder dan 50 meter achter een voorligger rijdt en hem niet wil inhalen, of wanneer je in de buurt komt van een spoorvoertuig of boot.
Ook als je zonder moeite 100 meter ver kan zien, is het verboden om de grootlichten te gebruiken.
Standlichten

Standlichten gebruik je wanneer je stilstaat of parkeert op de rijbaan of de berm bij duisternis, of in andere omstandigheden wanneer je minder dan 200 meter kan zien, bijvoorbeeld door mist, sneeuw of felle regen.
In geval van sneeuw, mist of felle regen mag je ook de dimlichten of mistlichten gebruiken, maar dat is niet verplicht.
Parkeerlichten

Parkeerlichten lijken op standlichten, maar met dit verschil: je kan zelf kiezen aan welke kant van je auto ze branden.
Binnen de bebouwde kom mag je parkeerlichten gebruiken in plaats van standlichten, wanneer je auto evenwijdig met de aslijn geparkeerd staat en er geen aanhangwagen aangekoppeld is.
Je schakelt het parkeerlicht dan in aan de zijde van de rijbaan.
Mistlichten
Mistlichten achteraan

Elke auto moet één of twee rode achtermistlichten hebben. Je gebruikt ze wanneer het zicht door mist of sneeuwval tot minder dan 100 meter beperkt is. Bij felle regen gebruik je ze ook, ongeacht hoe ver je kan zien.
In alle andere omstandigheden is het verboden de achtermistlichten te gebruiken.
Mistlichten vooraan

De mistlichten vooraan zijn niet verplicht. Heeft je auto ze wel, dan mag je ze alleen gebruiken bij mist, sneeuwval of felle regen.
Richtingsaanwijzers
Links en rechts

Richtingsaanwijzers, ook wel pinkers genoemd, gebruik je om andere weggebruikers tijdig te laten weten wat je van plan bent.
Je zet ze bijvoorbeeld aan wanneer je wil afslaan, van rijstrook veranderen of een rotonde verlaten.
Beide richtingsaanwijzers of waarschuwingsknipperlichten

De beide richtingsaanwijzers, ook wel de vier pinkers genoemd, mag je enkel gebruiken bij pech of een ongeval.
Je mag ze ook inschakelen om andere bestuurders te waarschuwen, bijvoorbeeld voor een file of een hindernis op de weg.

Een schoolbus schakelt de beide richtingsaanwijzers ook in wanneer kinderen zullen in- of uitstappen. In dit geval moet je vertragen en indien nodig stoppen.
Wanneer mag je je claxon gebruiken?

Je mag je claxon enkel gebruiken bij dreigend gevaar, om een ongeval te voorkomen.
Buiten de bebouwde kom mag je overdag kort claxonneren om je voorligger te waarschuwen dat je hem wil inhalen. ’s Avonds en ’s nachts mag dat niet met geluid: dan mag je in de plaats even knipperen met je grootlichten.
Het gebruik van de claxon moet altijd kort zijn. Langdurig of onnodig toeteren is verboden.
Mag je een smartphone gebruiken?

Tijdens het rijden mag je geen elektronisch apparaat met scherm gebruiken, behalve als het in een geschikte houder zit.
Je mag je telefoon dus wel als GPS gebruiken, op voorwaarde dat hij in een houder staat.
Hoe stel je je zitpositie en spiegels in?
Hoe stel je je stoel in?

Zorg dat je bekken goed achterin de stoel zit en dat je linkerbeen niet volledig gestrekt is. Je heupen en kniën moeten op dezelfde hoogte staan.
Als je je arm strekt, moet je je pols op de stuurrand kunnen laten rusten terwijl je schouders tegen de rugleuning blijven.
De bovenkant van de hoofdsteun stel je af op dezelfde hoogte als de bovenkant van je hoofd.
Hoe stel je je spiegels in?

Stel je binnenspiegel zo in dat de onderkant van de spiegel samenvalt met de onderzijde van de achterruit, en de linkerkant van de spiegel met de linkerkant van de achterruit.
De zijspiegels stel je zo in dat je nog nét de zijkant van je auto ziet. De hoogte stel je zo af dat je ongeveer 1/4 lucht en 3/4 grond ziet.
Zelfs met perfect afgestelde spiegels blijft er vaak een kleine zone die je niet ziet. Die noemen we de dode hoek, en die controleer je door je hoofd even opzij te draaien. Vergeet dit nooit!
Hoe hou je je stuur vast?

Het is belangrijk dat je beide handen aan het stuur houdt in een wijzerstand van ongeveer kwart voor drie, met licht gebogen armen.
Leg je duimen op de rand van het stuur en vouw ze er niet rond. Wanneer de airbag ontplooit, kunnen je armen naar buiten gedrukt worden en wil je niet dat je duimen vastzitten, dat kan pijnlijke letsels veroorzaken.

Het stuur bovenaan vasthouden is gevaarlijk, of je dat nu met één hand of beide handen doet. Zo heb je minder controle, en loop je meer kans op letsels als de airbag bij een botsing opent.
Je auto slipt, hoe moet je reageren?
Wat is slippen?

Als je auto slipt, beweegt hij in een andere richting dan jij wil.
Er zijn drie mogelijkheden:
- De voorwielen slippen
- De achterwielen slippen
- Alle wielen slippen tegelijk
Voorwielslip: onderstuur

Als je voorwielen slippen, spreken we van onderstuur. Je auto schuift dan rechtdoor, ook al draai je aan het stuur. In plaats van de bocht te volgen, rijdt hij dus rechtdoor.

Laat in zo’n geval het gas los en draai je stuur terug in de richting waarin je auto glijdt: rechtdoor. Zodra de wielen opnieuw grip krijgen, stuur je voorzichtig terug de bocht in.
Wat je zeker niet mag doen: hard remmen of nog verder insturen voor de wielen opnieuw grip hebben.
Kijk altijd naar waar je heen wil!
Achterwielslip: overstuur

Als je achterwielen slippen, spreken we van overstuur. Je auto breekt achteraan uit en je zal de bocht korter nemen dan je wil.

Laat in zo’n geval het gas los en trap de koppeling in. Stuur tegen en corrigeer indien nodig opnieuw, om te vermijden dat je auto uitbreekt aan de andere kant. Zodra je de auto weer onder controle hebt, laat je de koppeling rustig opkomen en vervolg je je weg.
Wat je zeker niet mag doen: remmen of gas bijgeven.
Kijk altijd naar waar je heen wil!
Alle wielen slippen tegelijk: aquaplaning

Aquaplaning gebeurt wanneer je banden het water op de weg niet meer kunnen afvoeren. Je wielen verliezen dan contact met het wegdek en je auto begint te glijden. In dat moment is je auto niet meer bestuurbaar.
Laat in zo’n geval het gas los en hou het stuur recht. Zodra de banden opnieuw grip krijgen, kan je rustig verder rijden.
Wat je zeker niet mag doen: bruusk remmen of stuurbewegingen maken. Je auto glijdt rechtdoor, en je wil vermijden dat hij plots naar links of rechts uitschiet zodra de banden weer grip krijgen.
Klaar om te oefenen?
Je hebt dit onderdeel afgerond. Test je kennis met 64 oefenvragen.
Oefenvragen starten