Overtredingen van de vierde graad

Als een agent één of beide armen strekt, mogen de weggebruikers in de richting van zijn armen doorrijden.
Je mag dus niet in de richting van zijn rug of buik rijden.

Als een agent heen en weer zwaait met een rode toorts die naar jou gericht is, moet je stoppen.

Je mag niemand aansporen of uitdagen om overdreven snel te rijden: racen is verboden.

Je mag niet inhalen nabij de top van een helling of in een bocht met weinig zichtbaarheid, behalve wanneer dat kan zonder op het gedeelte van de tegenliggers te rijden, bijvoorbeeld wanneer er twee rijstroken in jouw rijrichting zijn.

Je mag een overweg niet oprijden wanneer de rode lichten knipperen, de slagbomen bewegen of gesloten zijn, of wanneer het geluidssignaal werkt.

Je mag niet stilstaan of parkeren op een overweg.

Op een autosnelweg mag je de middenberm niet gebruiken, niet keren, niet achteruitrijden en niet tegen de rijrichting in rijden.
Onderdeel afgerond!
De leerstof uit dit onderdeel wordt mee getest in de andere oefeningen en proefexamens.
- VorigeDerde graad
- VolgendeOefeningen