Een ongeval of pech
Algemene regels bij een ongeval of pech
Veiligheid komt eerst

Een ongeval is altijd stresserend, maar probeer rustig te blijven en beveilig de plaats: zo voorkom je dat er nog meer ongevallen gebeuren.
Zet de voertuigen aan de kant als dat nog veilig kan. Haal ook eventuele brokstukken van de weg.
Kunnen de voertuigen niet verplaatst worden, zet dan de beide richtingsaanwijzers aan (als ze nog werken) en plaats de gevarendriehoek. Schakel de motoren uit indien dat nog niet gebeurd is en zorg ervoor dat niemand rookt.
Waar zet je de gevarendriehoek?

De gevarendriehoek moet zichtbaar zijn voor andere weggebruikers vanaf minstens 50 meter.
Op autosnelwegen plaats je hem op minstens 100 meter voor het ongeval, op andere wegen op minstens 30 meter.
Binnen de bebouwde kom mag je de gevarendriehoek dichterbij, of zelfs op je auto plaatsen, als het niet anders kan.
Draag een fluohesje

Stap je uit op een autosnelweg of autoweg, dan moet je een fluohesje dragen. Je bent dus verplicht om dit bij te hebben.
Op andere wegen en voor passagiers is het niet verplicht, maar wel sterk aan te raden voor de veiligheid.
Blijf ter plaatse, pleeg geen vluchtmisdrijf

Heb je een ongeval veroorzaakt of ben je betrokken geweest en rij je toch verder, dan pleeg je vluchtmisdrijf. Hierop staan zware straffen.
Raak je bijvoorbeeld een geparkeerde auto waarvan de eigenaar niet ter plaatse is, verwittig dan onmiddellijk de politie. Doe je dat niet, dan is dit ook vluchtmisdrijf.
Een ongeval zonder gewonden
Vul een Europees aanrijdingsformulier in

Zijn er geen gewonden, dan hoef je de politie niet te verwittigen. Vult dan samen met de andere betrokkenen het Europees aanrijdingsformulier in.
De voorzijde vullen jullie samen in en onderaan plaatsen jullie allebei een handtekening. De achterzijde kan je later alleen invullen, die is op dat moment minder belangrijk.
Iedereen die bij het ongeval betrokken is en ouder dan 15 jaar is, moet zijn of haar identiteitskaart tonen wanneer een andere betrokkene daarom vraagt.
Komen jullie er onderling niet uit, dan verwittig dan toch de politie.
De tegenpartij is niet aanwezig of onvindbaar

Weet je niet wie de tegenpartij is, bijvoorbeeld omdat je een paaltje hebt aangereden? Verwittig dan de politie, zo vermijd je dat je vluchtmisdrijf pleegt.
Een ongeval met gewonden
Bel het noodnummer

Zijn er gewonden, bel dan het noodnummer 112. De politie komt in dat geval altijd ter plaatse.
Schat de situatie zo goed mogelijk in: gaat het om licht -of zwaargewonden, hoeveel zijn er, zit er iemand gekneld, is er brand of brandgevaar? Blijf kalm en luister goed naar de vragen van de operator.
Vergeet niet dat ook iemand met een bloedneus of een pijnlijke arm een gewonde is.
De gewonden

Praat rustig met de slachtoffers om hen gerust te stellen, zo blijven ze kalm en bij bewustzijn. Als ze het koud hebben, mag je hen toedekken met een jas of deken.
Laat gewonden gewoon liggen of zitten zoals ze zijn. Verplaats hen alleen als er echt gevaar is, bijvoorbeeld een brand.
Geef hen geen eten, drinken of medicijnen, ook geen pijnstillers.
Draagt het slachtoffer een helm? Laat die dan op, behalve als het echt niet anders kan, bijvoorbeeld als ze niet meer ademen.
Een ongeval of pech in een tunnel
Pech of lichte blikschade

Heb je pech of een ongeval in een tunnel, probeer dan, als het kan, de tunnel nog uit te rijden. Dat lukt vaak bij een lekke band of bij enkel kleine blikschade.
Lukt dat niet, zet dan je beide richtingaanwijzers aan en ga zo dicht mogelijk tegen de tunnelwand staan. Zet de motor af, maar laat de sleutels in het contact.
Verlaat daarna je voertuig, bij voorkeur met een fluohesje en verwittig de hulpdiensten via de noodtelefoon, die aangeduid is met dit verkeersbord. Zo kennen de hulpdiensten meteen je exacte locatie. De operator geeft je daarna verdere instructies.
Er is brand of rook

Staat je eigen auto in brand? Probeer dan, als het kan, de tunnel nog uit te rijden. Lukt dat niet, zet je beide richtingaanwijzers aan en ga zo dicht mogelijk tegen de tunnelwand staan.
Staat een andere auto in brand? Houd dan afstand en zet je beide richtingaanwijzers aan. Rij nooit achteruit en keer zeker niet om.
Zet de motor af, maar laat de sleutels in het contact. Verlaat daarna je voertuig, bij voorkeur met een fluohesje en verwittig de hulpdiensten via de noodtelefoon.
Breng jezelf en je passagiers in veiligheid via de nooduitgangen en ga door tot aan het verzamelpunt in open lucht.
Een noodstopstrook

Werken je remmen niet meer goed en rij je in een heuvelachtige omgeving? Dan kan je soms een noodstopstrook tegenkomen.
Dat is een aftakking die licht omhoog loopt en meestal eindigt in een grote grindbak.
Door in die grindbak te rijden kan je op een veilige manier tot stilstand komen, en meestal zonder schade.
Mag je een voertuig slepen?

Op autosnelwegen en autowegen is het verboden om zelf te slepen met een nood- of hulpkoppeling.
Op andere wegen mag het wel, maar je mag dan niet sneller dan 25 km/u en je moet rechtstreeks naar de plaats van herstelling rijden.
Wat is een reddingsstrook?
Een reddingsstrook geeft de hulpdiensten een vrije doorgang, zodat ze sneller ter plaatse geraken. Een reddingsstrook vormen is verplicht als:
- er minstens twee rijstroken in dezelfde rijrichting zijn
- er filevorming is
Dit geldt niet alleen op de autosnelweg, maar ook op gewone wegen en zelfs binnen de bebouwde kom. Belangrijk is dat de reddingsstrook wordt gevormd voor het verkeer volledig stilstaat, ook al nadert er nog geen prioritair voertuig.

Zijn er twee rijstroken? Dan stoppen de bestuurders in de linkerrijstrook zo ver mogelijk links en de bestuurders in de rechterrijstrook zo ver mogelijk rechts.

Zijn er meer dan twee rijstroken? Dan stoppen de bestuurders in de linkerrijstrook zo ver mogelijk links en de bestuurders in de andere rijstroken zo ver mogelijk rechts.
Verkeersborden
Je moet het type en betekenis van elk verkeersbord kennen, weten voor wie het geldt en op welk deel van de rijbaan het van toepassing is. Het nummer van het bord hoef je natuurlijk niet te kennen.

Aanwijzingsbord F8
Tunnel met een lengte van meer dan 500 meter.

Aanwijzingsbord F62
Noodtelefoon.


Aanwijzingsbord F52
Aankondiging van een nooduitgang in tunnels.


Aanwijzingsbord F52bis
Aankondiging van de dichtstbijzijnde nooduitgang, in de aangeduide richting, in tunnels. De afstand in meter is aangeduid op het verkeersbord.

Aanwijzingsbord F95
Noodstopstrook.

Aanwijzingsbord F98
Vluchthaven.
Klaar om te oefenen?
Je hebt dit onderdeel afgerond. Test je kennis met 48 oefenvragen.
Oefenvragen starten- VorigeBevoegde personen
- VolgendeOefeningen